Ik werk, dus ik ben …

Cesto coaching leusden outplacment caoching re-integratieVraag een willekeurig iemand ‘wie hij is’ en de kans is groot dat die persoon dan over zijn beroep begint. Sociologen weten al jaren dat het werk een bepalende factor in onze identiteit is.

Filosofen hebben echter lange tijd een neerbuigende houding jegens werk gehad: arbeid zou mensen juist vervreemden van hun ‘ware natuur’. Daar kwam pas verandering in met de opkomst van de existentialisten, die stelden dat een mens is “wat hij doet”.

Voor het eerst werd ook de menselijke identiteit als iets maakbaars beschouwd. Voor mensen met keuzestress kan dat, steeds een waardevol inzicht zijn.

Wie ik ben? Nou, ik zit in vastgoed …

“Mijn naam is Pieter, 38 jaar. In het dagelijkse leven ben ik loodgieter.” “Ik ben Sandra, 42 jaar, en verpleegkundige.” “Dirk-Jan is de naam. Ik ben 29 en werk als financieel adviseur.” Zet een willekeurige groep vreemden bij elkaar en laat ze zich aan elkaar voorstellen. De kans is dan groot, zo niet honderd procent, dat iedereen na het noemen van zijn naam en leeftijd, onmiddellijk begint over zijn beroep.

Alleen al daaruit valt op te maken dat ons werk een zeer bepalend onderdeel is van onze identiteit. Voor velen geldt: wat ik doe, is wie ik ben.

Al vroeg worden we met deze notie van identiteit bekend gemaakt, wanneer volwassenen aan kinderen vragen: ‘Wat wil je later worden?’ – doelend op een toekomstige carrière. Vreemd genoeg staat het beroep niet op onze identiteitskaart vermeld, waarschijnlijk omdat mensen te vaak van baan verwisselen. Maar op alle formulieren die we over onszelf invullen, of de Hyves-profielen die we van onszelf maken, staat bijna altijd een beroep of functie vermeld.

Zelfs in contactadvertenties vertellen mensen meestal éérst over hun baan en pas dan over hun hobby’s of andere interesses. In de sociologie wordt het belang van het werk voor de vorming van een identiteit al jaren onderkend. Talloze onderzoeken hebben uitgewezen dat ons zelfbeeld en zelfvertrouwen sterk samenhangen met de baan die we hebben. Succes en een gevoel van zingeving blijken daarbij belangrijke factoren: wie carrière maakt, goed betaald wordt, waardering krijgt van collega’s en het gevoel heeft nuttig te zijn voor anderen, vereenzelvigt zich meer met zijn werk dan iemand die zijn broodwinning slechts ziet als een ‘verplichting’ om rond te kunnen komen.

Soms gaat de vereenzelviging met het werk zo ver dat het onderscheid tussen de persoon en zijn beroep als het ware vervaagt – een fenomeen dat bekend staat als beroepsdeformatie. Prototypische voorbeelden daarvan zijn alom bekend: de accountant die in alles stipt en precies is, de timmerman die ook thuis loopt te klussen en de psycholoog die aan iedereen levensadvies geeft. In academische omgevingen komt beroepsdeformatie ook voor: hoogleraren bijvoorbeeld zijn op hun werk soms zo analytisch en rationeel ingesteld, dat het afbreuk doet aan hun empathie en hun vermogen om sociale contacten te leggen – ook wel het ‘professorensyndroom’ genoemd.

De vraag blijft natuurlijk of mensen door hun werk een bepaald karakter ontwikkelen, of dat mensen met een bepaald karakter vaak soortgelijk werk doen, maar het verband is in ieder geval duidelijk. Toch is de relatie tussen werk en identiteit in de filosofie eeuwenlang onderbelicht gebleven.

Veel filosofen, variërend van Aristoteles (384-322 v. Chr.) tot Bertrand Russell (1872-1970) en met name Karl Marx (1818-1883), keken neer op arbeid en stelden dat door te werken de mens juist van zichzelf vervreemdde. Marx zag vervreemding (‘entfremdung’) van de “menselijke natuur” zelfs als een onvermijdelijk product van het kapitalisme: de arbeider werd gedegradeerd tot “object” in het productieproces beheerst door kapitalisten, aldus Marx.

Deze filosofische weerzin tegen werk kan deels worden herleid tot abominabele arbeidsomstandigheden. Het heeft tot zeker de twintigste eeuw geduurd voordat arbeiders rechten kregen en hun belangen door vakbonden werden behartigd. Tot die tijd was de werkdag lang, het salaris laag en de voorwaarden nauwelijks noemenswaardig. Met pensioen gaan was zelfs ondenkbaar; de meeste mensen haalden de huidige pensioenleeftijd niet eens. Geen wonder dus dat veel denkers liever schreven over ideale samenlevingen waarin niet gewerkt hoefde te worden dan over de manier waarop mensen zich vereenzelvigden met hun werk.

Maar de weerzin heeft ook een diepere reden, die samenhangt met wat filosofen eeuwenlang beschouwden als de functie van filosofie en het soort mensbeeld dat daaruit voortkwam. Sinds Plato (427-347 v. Chr.) is de westerse filosofie namelijk altijd sterk georiënteerd geweest op het metafysische. Ware filosofie, zo was de gedachte, moest zich bezighouden met het vinden van eeuwige, transcendente en onweerlegbare waarheden – niet met toevallige, tijdsgebonden observaties. Ideeën over wat het betekent om te ‘zijn’ (of preciezer: mens te zijn) kregen hierdoor ook een sterk metafysisch karakter.

Zo werd lange tijd gedacht dat de essentie van mens-zijn lag in het feit dat hij geschapen was in het evenbeeld van God. Plato lokaliseerde op zijn beurt de essentie van de mens in diens unieke vermogen om te komen tot ware (transcendente) kennis. Ook Descartes had een soortgelijk uitgangspunt (’ik denk, dus ik ben’). En door de Verlichting werd de gedachte prominent dat de mens in essentie een ‘moreel wezen’ was; zijn unique selling point was het vermogen goed en kwaad te onderscheiden.

Met andere woorden, de menselijke identiteit werd meestal gedefinieerd in termen van ‘eeuwige’ eigenschappen, die niet van het toevallige en aardse afhankelijk waren. Of, zoals de Amerikaanse filosoof Richard Rorty ooit stelde: “Het ‘zijn’ is eeuwenlang opgevat als iets dat niets te maken had met tijd.”

Deze opvatting veranderde radicaal met de opkomst van het existentialisme in de 19e en 20ste eeuw. Grote invloed had met name het boek Sein und Zeit (Zijn en Tijd) van de Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976). De titel vat de ommekeer in het denken eigenlijk perfect samen: wat het betekende om te ‘zijn’, moest niet langer worden gezocht in tijdloze fundamenten (God, het Goede, het Ware, de Rede), maar in tijdsgebonden interpretaties van het bestaan zelf. Oftewel, het zijn in de tijd.

Het belangrijkste uitgangspunt hierbij was de afwijzing van het Platoonse idee van een ‘transcendente’ waarheid. De existentialisten stelden, in navolging van hun inspirators Søren Kierkegaard en Friedrich Nietzsche, dat het bestaan geen ‘hoger doel’ voor ogen had, die door de mens kon worden ‘ontdekt’ (zoals Nietzsche zei: “God is dood”). Volgens klassieke filosofen zou dit het bestaan ‘zinloos’ maken, maar existentialisten stelden juist dat in het ontbreken van een hoger doel de menselijke vrijheid schuilt: de mens kan zijn eigen waarheden en levensinvulling bepalen. Hij heeft geen ‘essentie’ waaraan hij moet voldoen, slechts een ‘existentie’ die hij moet vervullen.

Dit betekende een grote verandering in de betekenis van identiteit. De mens werd niet langer begrepen in termen van tijdloze eigenschappen (wat hij is), maar in termen van tijd- en plaatsgebonden praxis (wat hij doet). De existentialist Jean-Paul Sartre (1905-1980) vatte dit idee het meest treffend samen, toen hij zei: “To be is to do.” – een gedachte die veel gelijkenis vertoont met Heideggers stelling: “De mens is zijn projecten.”

In dit basisidee van het existentialisme (’de mens is zijn eigen schepping’) ligt de kiem van onze opvatting dat je bent wat je doet, of hedendaagser geformuleerd: ik werk, dus ik ben. Je zou zelfs kunnen stellen dat het aan dit idee te danken is dat veel mensen (vooral de zogenoemde young professionals) tegenwoordig zo’n groot belang hechten aan ‘zelfontplooiing’ en ‘groeimogelijkheden’ binnen het werk. Wie is wat hij doet, beschouwt stilstand in zijn carrière immers automatisch als stilstand in zijn persoonlijke ontwikkeling – een gedachte die vóór de 20ste eeuw nagenoeg onbestaand was.

De filosofie van Heidegger en Sartre bevat overigens niet alleen een radicaal andere kijk op identiteit, maar ook een wijze les voor mensen die lijden aan keuzestress – een probleem dat met name voorkomt onder scholieren, pas afgestudeerden en dertigers die twijfelen over de (academische) carrière die zij willen volgen. Zij breken zich voortdurend het hoofd over vragen als ‘wat moet ik doen met mijn leven?’ of ‘wat wil ik eigenlijk écht?’. Blijft een antwoord uit, dan veranderen alle keuzes als vanzelf in dilemma’s: is dit het juiste om te doen? Of is het andere niet toch beter?

Wat het existentialisme leert, is dat dit patroon van twijfelen over wat je wilt alleen kan worden doorbroken door daadwerkelijk iets te doen. Wie je bent, en dus wat je wilt, is immers wat je doet. Daarom is keuzestress vaak een vicieuze cirkel: wanneer je twijfelt aan wat je wilt, durf je geen keuzes te maken, word je lethargisch en zal je ook nooit weten wat je wilt. Het antwoord op die vraag kan immers, om met de existentialisten te spreken, niet ‘ontdekt’ worden: die maak je. Hoe hardnekkig dit probleem kan zijn, zie je vooral bij langdurig werklozen: door tijden lang niets te doen, verliezen ze (een deel van) hun identiteit – en daarmee de wil om iets te ondernemen.

De wijze les is, kortom, deze: ga nooit op de hei zitten reflecteren om ‘jezelf’ te vinden. Daar ben je namelijk niet.

Bron: NRC next op 31 juli 2009.
Auteur: Rob Wijnberg

Voor vormen van coaching klik op:

 Personal Business Coaching

 Outplacement Coaching

 Re-integratie Coaching

 Carrière / loopbaancoaching

 Management Coaching

Klik voor klantervaringen naar: klantervaringen

<< Terug naar overzicht

Over Cesto

Cesto Training & Coaching biedt inspiratie, focus, en structuur aan ondernemers en hogeropgeleide professionals die duurzaam willen of moeten veranderen.

Voor een afspraak bel 06 – 23310515 of mail naar info@cesto.biz